Schiebroek van ca 1770 tot 1920

In opdracht van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek maakte een landmeter van Schieland in 1771 een plan voor de droogmaking van de Schiebroekseplas. Droogmaking van uitgeveend plassengebied bleek uiteindelijk lucratiever te zijn dan slagturfwinning, vooral toen de graanprijzen stegen door de toene­mende vraag naar broodgraan. In 1772 verleende het Hoogheemraadschap van Delfland octrooi voor de drooglegging van de veenplassen en werd een begin gemaakt met de droogmaling van de Schie­broekseplas door de Buyte Watering uit te graven tot een ringvaart. Het ontwateringssysteem van de Schiebroekse droogmakerij bestond uit een ringvaart als buitenboezem om de middeleeuwse polder. Lood­recht op de ringdijk en ringvaart (langs de tegenwoor­dige Wilgenlei) werd een molengang aangelegd.

Drie molens pompten het water uit de droogmakerij naar de ringvaart die in verbinding staat met de Bergse Plassen en de Rotte. Omdat de Schiebroekse Polder geen regelmatige vierkante vorm heeft, zijn er twee basisrichtingen in de droogmakerij. De hoofdafwate­ringskanalen (de van één tot vier genummerde toch­ten) lopen in het noordelijke deel van de droogma­kerij evenwijdig aan de ringvaart en in het zuidelijke deel aan de Kleiweg. Ter hoogte van de molengang komen beide basisrichtingen in een hoekverdraaiing bijeen.

In 1780 was de Schiebroekseplas officieel droog­gemalen. De Schiebroekse Polder ligt ruim 5 meter onder NAP en is daarmee een van de dieper gelegen polders in Schieland. De drooggemalen gebiedentussen de tochten werden het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde blok genoemd en verkaveld in agra­rische bedrijfseenheden, ook wel percelen. Van de middeleeuwse polder waren alleen de Kleiweg, de Wildersekade en de Vlietsloot nog herkenbaar; deze middeleeuwse structuren vormden de contouren van de nieuwe Schiebroekse Polder.

Het ambacht Schiebroek, dat werd bestuurd vanuit de gemeente Overschie, werd in 1816 een zelfstandige gemeente met slechts een paar honderd inwoners. Er kwam geen nieuw gemeentehuis en geen echt ambtenarenapparaat. Het was improviseren. Aanvankelijk stond de gemeente onder leiding van een schout, vanaf 1825 van een burgemeester. Er is een lijst van de burgemeesters van Schiebroek.

Een gebouw aan de Kleiweg op de hoek van de Hoofdlaan wordt in 1875 raadhuis. Dat gebouw was overigens ook het woonhuis van het hoofd van de openbare lagere school. 

Schiebroek bleef lang landelijk gebied. De bewoning concentreerde zich vooral in een buurtschap aan de Kleiweg/ Hoofdweg en langs de Hoge Limiet. In 1865 telde de gemeente 335 inwoners, zij zijn voornamelijk werkzaam in de landbouw en de veeteelt. Schiebroekenaren werden tot 1903 begraven in Overschie. Daarna op de kleine, inmiddels gesloten, begraafplaats aan de Ringdijk.

Nieuwe structuren waren de Limietweg en de Nieuwe Weg. De Limiet­weg met ‘lage’ eind en ‘hoge’ eind (tegenwoordig de Lage Limiet en Hoge Limiet) vormde de grens tussen de Schiebroekse Polder en de Polder Honderdtien Morgen. De Nieuwe Weg was de achterweg van de Kleiweg (tegenwoordig de Erasmussingel). Langs de Limietweg en de Nieuwe weg ontwikkelde zich vanaf de late achttiende eeuw lintbebouwing. 

De lintbebou­wing langs de Nieuwe Weg en de Kleiweg ontwikkel­de zich tot de bewoningskern van Schiebroek. In de late negentiende eeuw ontwikkelde zich bovendien lintbebouwing langs het karrenpad (de tegenwoordi­ge Adrianalaan). Van de lintbebouwing resteert nog een aantal laat negentiende-eeuwse tuinderswonin­gen.

De molens van de molengang werden in 1914 ver­vangen door een elektrisch gemaal. Een gedenk­steen aan de Wilgenlei met opschrift herinnert aan de droogmakerij: “Eerst een moeras daarna een plas toen land voor ‘t vee nu burgerstee”.