Schiebroek van 1920 tot 1941 (vervolg)

Terwijl aan het begin van de twintigste eeuw op de Rotterdamse zuidelijke Maasoever gestaag een arbeidersstad groeide, maakten de noordelijke randgemeenten plannen voor woningbouw voor gegoede Rotterdammers. Particuliere ondernemingen namen het voortouw, ook in Schiebroek, waar het op de stevige kleigrond goed en goedkoop – want zon­der noodzaak tot heien – bouwen was.

In 1920 woonden in de gemeente Schiebroek nog maar 772 mensen. In dat jaar kocht handelsmaatschappij ‘Hibex’ een groot stuk grond, diep in de Schiebroekse Polder. Met regeringssteun en borgstelling van de gemeente kon Hibex hier starten met de bouw van haar Tuinstad Schiebroek, ontworpen door de Haagse architect W. Verschoor. Zo’n ‘tuinstad’ was in die jaren een popu­lair uitbreidingsmodel, geïnspireerd op de Engelse Garden City: een complete woonsamenleving in een gezonde, groene omgeving. Het Schiebroekse plan bestond uit achthon­derd woningen, voornamelijk eengezinswoningen met tuin, per twee, vier of acht huizen geschakeld, en afgewisseld door groene singels, parken, scholen en winkels. Verslaggevers van het Rotterdamsch Nieuwsblad bezochten in 1922 de eerste – en wat later zou blijken de enige – 104 gebouwde woningen van de tuin­stad. Ze roemden de ruime en groene opzet van het plan: de doorkijkjes naar de ‘weelderige akkers van het hart van Zuid-Holland’, de op twintig meter breedte gebrachte hoofdroute Adrianalaan en de uniforme erfafscheiding met hagen. Minder enthou­siast werd de architectuur van de middenstandswo­ningen omschreven, die nogal sober was en ‘plomp’ aandeed door de zeer flauwe daken. Ondanks dat de woningnood in Rotterdam in deze jaren op zijn piek was, kreeg Hibex de woningen niet aan de man. De gemeente Schiebroek moest Hibex overnemen. Ondanks de ‘tuinstad-misère’ zijn de 104 zogenaamde Hibexwoningen tegenwoordig nog een karakteristiek en herkenbaar ensemble aan de Adrianalaan.

In 1923 tekende ontwerper J.L. Zaaijer een bestemmingsplan voor Schiebroek. Het karakter van een tuinstad – ingezet door het plan Hibex – bleef leidend. De ruimtelijke opzet baseerde zich op de landschappelijke onder­grond: polder- en molentochten werden uitgegraven, verbreed en ingericht als lommerrijke singels. De singels en de haaks erop liggende wegen vormden bouwvelden voor middenstandswoningen, met in het centrum van vrijwel elk bouwveld ruimte voor een park- of sportterrein. De zone langs de Bergse Ach­terplas was gedacht voor villabouw, terwijl de meest zuidelijke punt was bestemd voor gesloten bouwblok­ken met arbeiderswoningen, die een overgangszone vormde naar het meer stedelijke Kleiwegkwartier. De huidige Lindesingel, Kastanjesingel, Meidoorn­singel en Wilgenlaan – oude poldertochten – zijn erfenissen van dit plan, net als een aantal particuliere bouwinitiatieven van ontwikkelaars als de N.V. Voor­uitstrevend (directeur J. Hendriks) en de N.V. Dahlia, vooral ter weerszijden van de Adrianalaan, aan de Ribeslaan, Lijsterbeslaan, de Acacialaan en Prunuslaan. In 1924 bouwde de woningbouwvereniging Onderling Belang de eerste sociale woningen in Schiebroek aan de De Villeneu­vestraat en de Adrianalaan: vier blokken van vier wo­ningen. Het typische bebouwingsbeeld van dit deel van Schiebroek – royale woningen aan de singels, in de zijstraten meer stedelijke blokken – is in deze fase vastgelegd, en zou ook in de naoorlogse afrondings­plannen een leidraad blijven.

Een van de grootste plannen was die van de N.V. Mo­lenvliet (directeur C.C. van Rossum). Zij kocht een langgerekte strook grond tussen de Ringdijk en de spoorlijn. De lat lag hoog: in drie woonbuurten, inclusief een nieuw dorpscentrum, zou­den maar liefst 12.000 nieuwe inwoners een plek kun­nen vinden. De gemeente Schiebroek zorgde voor een goede infrastructuur, zodat een snelle en goede verbinding met Rotterdam tot stand kwam. De Ring­dijk werd verbreed van zes tot vijftien meter en geas­falteerd. Een brug aan het uiteinde van de aan te leg­gen Wilgenplaslaan kwam tot stand. Symbool voor de verschuiving van het zwaartepunt van het dorp naar de polder was de verplaatsing van het raadhuis van de Kleiweg – het historische dorpscentrum – naar een locatie aan de Ringdijk vlakbij het in aanbouw zijnde tuindorp. De realisatie van het plan van de N.V. Molenvliet bleef echter beperkt: alleen het gebied rondom de Molenvijver is daad­werkelijk uitgevoerd.

In 1932 tekende de Schiebroekse gemeentear­chitect Russcher een herziening van het uitbreidingsplan.  De belangrijkste reden om het plan te herzien was dat Rotterdam een wegenplan had vastgesteld dat ook over Schiebroeks grondgebied liep. Russcher volgde deze hoofdwegen  en volgde verder het rechtlijnige stelsel van de tot singels vergraven poldertochten. Russcher vatte de gehele gemeente op als één grote tuinstad met een open en landelijke bebouwing, maar was daar minder rigide in dan zijn voorganger Zaaijer. Het werd ook mogelijk boven- en benedenwoningen te realiseren, er was te veel vraag naar deze goedkope huisvesting. Een belangrijke plek was het plein bij de nieuw ge­projecteerde treinhalte Wilgenplas, genoemd naar de gelijknamige plas aan de andere zijde van het spoor. Hier had de Hillegersbergse ontwikkelaar J. Poot de kuil vol met grondwater, die resteerde na de zandaf­graving voor de naastgelegen spoorbaan, twee jaar eerder getransformeerd tot openluchtzwembad, inclu­sief pretpark. Hij overtuigde de spoorwegmaatschap­pij een extra treinhalte te openen en het spoorweg­viaduct te verbreden. Stedenbouwkundige Russcher greep de attractie en de treinhalte aan om deze plek te benadrukken door een groot stationsplein waar diverse hoofdwegen op uit zouden komen. Om de toegankelijkheid vanuit de stad te vergroten werd een secundaire route uit het plan al direct uitgevoerd: de Wilgenplaslaan. Deze 1,5 kilometer lange en vijftien meter brede klinkerstraat liep door de weilanden en was een snelle route van de stad naar het attractie­park ‘De Wilgenplas’. In de periode 1927-1932 zijn ook de huizen gebouwd ten noorden van de Kleiweg, wat nu de Edelstenenbuurt is.

De huren waren laag, voor 35 gulden per maand had je een huis met voor- en achtertuin, met een bad en met centrale verwarming. Dat kwam ook omdat in die tijd veel nieuwbouw plaatsvond, ook in het nabijgelegen Blijdorp en Bergpolder bijvoorbeeld. 
Het gemeentehuis aan de Kleiweg was te klein geworden. De N.V. Molenvliet biedt de gemeente een compleet nieuw raadhuis aan aan de Ringdijk, gemeentearchitect H. Russcher ontwierp dit raadhuis. Het werd op 22 april 1930 geopend. De N.V. Vooruitstrevend bouwde ook, op de hoek van de Adrianalaan en de Meidoornsingel, het verenigingsgebouw Arcadia (vanaf 1958: “De Brandaris”). Het gebouw werd in 1932 in gebruik genomen. In dat jaar had Schiebroek 4100 inwoners.

Het inwonertal van Schiebroek nam geleidelijk toe, er kwamen relatief veel mensen 'van buiten' wonen. De gemeente gaf met name voor hen van af 1935 een gemeentegids uit. De gids van Schiebroek van 1935 is gedigitaliseerd.

Vanaf 14 mei 1940, na het bombardement op Rotterdam, nam het aantal inwoners van Schiebroek fors toe. Krantenberichten uit die tijd spreken van "een stroom van vluchtelingen uit Rotterdam" die zich die namiddag naar Schiebroek begaven. Ongeveer 7.000 vluchtelingen streken tijdelijk in Schiebroek neer.

Gelukkig was Schiebroek voorbereid op de tijdelijke huisvesting van veel (maar niet zo veel) mensen omdat mogelijk veel mensen opgevangen zouden moeten worden uit gebied dat eerder onder water was gezet. Die mensen kwamen niet, zodat nu de Rotterdamse vluchtelingen konden worden gehuisvest. Er kwamen ook twee volledig geoutilleerde noodziekenhuizen: één in het Kleiwegkwartier en één op de Eikenlaan.
Het vluchtelingencomité vestigde zich in Arcadia, van waar uit ook de voedselvoorziening werd geregeld. Snel kwam ook een hulppost in gebouw "de Harmonie" aan de Kleiweg. Na enkele weken gingen velen 'vluchtelingen' terug naar Rotterdam, naar hun gespaard gebleven woningen of naar familie. Op enig moment waren er, aldus krantenberichten, nog 1.000 vluchtelingen in Schiebroek. Zij waren allen ten gemeentehuize geregistreerd, er werd nagedacht een aantal van hen -uit oogpunt van hygiëne- nog elders onder te brengen. Toch zouden velen zich blijvend in Schiebroek vestigen. Op 1 augustus 1941 werd de gemeente Schiebroek opgeheven en werd het grondgebied met zijn inwoners toegevoegd aan Rotterdam.