Schiebroek, van het ontstaan tot ca 1770

De bodem van het Schiegebied bestond uit klei-op-veen. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. In de tiende en elfde eeuw stopte de veenvorming, doordat de klei-op-veengebieden ten behoeve van akkerbouw en veeteelt door het graven van sloten werden ontgonnen. Bewoning concentreerde zich niet alleen langs waterlopen als de Rotte, maar ook langs ontginningsassen als de Kleiweg. Door de kunstmatige ontwatering kwam het maaiveld steeds lager te liggen. De laaggelegen gebieden waren kwetsbaar voor overstromingen. In de twaalfde eeuw werd het Schiegebied dan ook regelmatig geteisterd door stormvloeden. De zware stormvloeden in 1134 en 1163 veroorzaakten overstromingen die in grote delen van het Schiegebied opnieuw een kleipakket afzetten. Dit kleipakket heeft de oudste sporen van bewoning en ontginning afgedekt. 

Na de overstroming die door een stormvloed in december 1163 was veroorzaakt, namen de graven van Holland de leiding in de herontginning van het Schiegebied. De uitgave van gronden viel onder de verantwoordelijkheid van de graven. Het te ontginnen gebied werd opgedeeld in zogenoemde copen (pachtovereenkomsten). De copen werden gescheiden door ontwateringssloten. De sloten waren niet alleen een manier om de waterhuishouding van het gebied te regelen, maar vormden dus ook de kavelgrenzen. De ontwateringssloten werden haaks op de rivieren, weteringen, paden of nog bestaande ontginningsassen gegraven. Vervolgens werd het gebied bedijkt. Op de koppen van de kavels werden boerderijen gebouwd. Zo ontstond het slagenlandschap met vaak langgerekte, smalle kavels en lintbebouwing langs de paden die evenwijdig aan de dijken liepen.

In de loop van de dertiende eeuw breidden de bedijkingen zich uit en werd tenslotte de Schielandse Hoge Zeedijk aangelegd, waardoor de dijken in de oude dijkengordel hun waterkerende functie verloren. Rond 1300 was het gehele Schiegebied ontgonnen en opgedeeld in ambachten. Een ambacht was een lokaal gerechtsdistrict waar een schout het landsheerlijk gezag vertegenwoordigde en het bestuur en de lage rechtspraak uitoefende. De contouren van de huidige woonwijk Schiebroek vallen samen met de vroegere begrenzing van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek. 

De middeleeuwse polder Schiebroek bevat structuren die vandaag de dag nog steeds bestaan, zoals de Vlietsloot, de Kleiweg en de Wildersekade. De Vlietsloot is een veenstroom die de natuurlijke grens tussen de ambachtsheerlijkheden Schiebroek en Hillegersberg vormde. De Kleiweg volgt een oude kreekrug - een met zand gevulde getijdegeul - tussen de Schie en de Rotte. Parallel aan de kreekrug liep mogelijk een dijk die deel uitmaakte van de dijkengordel die in de twaalfde en dertiende eeuw werd aangelegd. Deze dijk zou hebben aangesloten op de oudste, veronderstelde dam in de Rotte. Voor zover bekend, werd de Kleiweg voor het eerst in 1419 genoemd: Cleyweg. Ook werd in deze tijd geschreven over “Sciebrouck”. De Wildersekade is een kade die tenminste uit de vroege zeventiende eeuw dateert. De kade diende als compartimenteringsdijk tussen de Schiebroekse Polder en Boterdorpse Polder ter voorkoming dat bij een dijkdoorbraak alle polders werden overstroomd.

Door voortgaande inklinking werd het gebied te drassig voor akkerbouw en werd daarom benut voor turfwinning. Vanuit de stad Rotterdam bestond een grote vraag naar turf als brandstof. Turf delven door ‘droog steken’ was in dit natte gebied niet meer mogelijk; de grondwaterspiegel was bereikt. De onder het water liggende turf was van goede kwaliteit, maar moest met een andere methode worden gewonnen. Vanaf 1530 ontwikkelde zich een nieuwe vorm van turfwinning: slagturven in het natte, eigenlijk baggeren.

De vraag naar turf bleef groeien en voor de Schielandse plattelandsbevolking was slagturfwinning een belangrijke inkomstenbron. Door het diepe baggeren ging echter steeds meer land verloren. Hoewel de overheid het slagturven verbood omdat het landschap werd aangetast en het slecht voor de gezondheid van de turfstekers was, ging het slagturven gewoon door. In de achttiende eeuw was de Schiebroekse Polder een uitgeveende plas, een van de vele plassen van het Schielands Plassengebied. Van het grondgebied van Schiebroek restte alleen nog de Schiebroekseweg, de Kleiweg en de Wildersekade: de rest was water. Langs de Schiebroekseweg en de Kleiweg lagen nog enkele kleine percelen met bebouwing.