Hillegersberg, van het ontstaan tot 1817

De bodem van het Schiegebied bestond uit klei-op-veen. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. In de tiende en elfde eeuw stopte de veenvorming, doordat de klei-op-veengebieden ten behoeve van akkerbouw en veeteelt door het graven van sloten werden ontgonnen. Bewoning concentreerde zich niet alleen langs waterlopen als de Rotte en op kreekruggen zoals de Kleiweg, maar ook langs ontginningsassen als de Straatweg en op donken (rond de huidige Hillegondakerk). Door de kunstmatige ontwatering kwam het maaiveld steeds lager te liggen. De laaggelegen gebieden waren kwetsbaar voor overstromingen. In de twaalfde eeuw werd het Schiegebied dan ook regelmatig geteisterd door stormvloeden. De zware stormvloeden in 1134 en 1163 veroorzaakten overstromingen die in grote delen van het Schiegebied opnieuw een kleipakket afzetten. Dit kleipakket heeft de oudste sporen van bewoning en ontginning afgedekt.

De Kleiweg was onderdeel van een oude zeedijk die al in de tijd van de Romeinen bestond. Ook heeft de Kleiweg in de 12e eeuw deel uitgemaakt van de zeewering die door Egmonder monniken, bijgestaan door hun medebroeders van de Sint Paulusabdij uit Utrecht, tussen Gouda en Vlaardingen werd aangelegd. De naam “Cleyweg” wordt voor het eerstgenoemd in 1419. 

Na de overstroming die door een stormvloed in december 1163 was veroorzaakt, namen de graven van Holland de leiding in de herontginning van het Schiegebied. De uitgave van gronden viel onder verantwoordelijkheid van de graven. Het te ontginnen gebied werd opgedeeld in 'copen' (pachtovereenkomsten). De copen werden gescheiden door ontwateringssloten. De sloten waren niet alleen een manier om de waterhuishouding van het gebied te regelen, maar vormden dus ook de kavelgrenzen. De ontwateringssloten werden haaks op de rivieren, weteringen, paden of nog bestaande ontginningsassen gegraven. Vervolgens werd het gebied bedijkt. Op de koppen van de kavels werden boerderijen gebouwd. Zo ontstond het slagenlandschap met vaak langgerekte, smalle kavels en lintbebouwing langs de paden die evenwijdig aan de dijken liepen.

In de loop van de dertiende eeuw breidden de bedijkingen zich uit en werd tenslotte de Schielandse Hoge Zeedijk aange­legd, waardoor de dijken in de oude dijkengordel hun waterkerende functie verloren. Rond 1300 was het gehele Schiegebied ontgonnen en opgedeeld in ambachten. Een ambacht was een lokaal gerechtsdistrict waar een schout het landsheerlijk gezag verte­genwoordigde en het bestuur en de lage rechtspraak uitoefende. Het huidige Hillegersberg maakte deel uit van de nog veel grotere ambachtsheerlijkheid Hillegersberg.

Op de donk van Hillegersberg werd een van de oudste kerken van Schieland gebouwd. De stichting van de kerk van Hillegersberg dateert tenminste uit de vroege elfde eeuw, maar is mogelijk nog ouder. Halverwege de dertiende eeuw werd naast de parochiekerk op de donk een stenen woontoren gebouwd. De woontoren met vierkant grondplan van 10 x 10 meter werd op de donk gefundeerd. In 1426, tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten, werden de parochiekerk en de woontoren door het leger van Jacoba van Beieren met de grond gelijk gemaakt. In de loop van de vijftiende eeuw werd de kerk herbouwd: de Hillegondakerk. 

Het ambacht van Hillegersberg was een van de grotere ambachtsheerlijkheden rond Rotterdam. De middeleeuwse polder van het ambacht bevat structuren die vandaag de dag nog steeds bestaan, zoals de Rotte die dwars door het grondgebied stroomt en de Vlietsloot die de natuurlijke grens tussen de ambachtsheerlijkheden Schiebroek en Hillegersberg vormt. Ook een aantal historische routes is tot op de dag van vandaag nog goed herkenbaar, zoals de ‘Bergh Weg’ (de tegenwoordige Straatweg, Bergse Dorpsstraat en Grindweg), de Strekvaart en Strekkade, de twee Molensloten en de Buyte Wateringh (Ringvaart). De Bergweg was ontstaan als ontginningsas en werd in 1387 voor het eerst als weg genoemd. Het was vanouds de weg van Rotterdam naar Bergschenhoek. Aan weerszijden van de Bergweg, met name tussen Rotterdam en Hillegersberg, lagen enkele omvangrijke buitenplaatsen uit de zeventiende eeuw. Tussen Hillegersberg en Bergschenhoek stonden boerderijen en landarbeiderswoningen.

Ter hoogte van de kerk op de donk, langs de tegenwoordige Bergse Dorpsstraat, had zich een kleine bewoningskern ontwikkeld. De Strekvaart en Strekkade dateren tenminste uit de vroege zeventiende eeuw. De vaart en kade vormen de grens tussen de Berg- en Broekpolder en de Boterdorpse Polder en waren van belang voor de waterhuishouding. De kade diende als compartimenteringsdijk tussen beide polders ter voorkoming dat bij een dijkdoorbraak alle polders inundeerden. De Strekvaart was bovendien een transportroute. De twee Molensloten zijn loodrecht op de Rotte gegraven afwateringssloten. De Molensloten waterden af op de Rotte door de Broekse Molen en de Berchse Molen (in 1648 de Prinsenmolen). De Buyte Wateringh is nog steeds herkenbaar als de Ringvaart.

Door voortgaande inklinking werd het gebied te drassig voor akkerbouw en werd daarom benut voor turfwinning. Vanuit de stad Rotterdam bestond een grote vraag naar turf als brandstof. Turf delven door ‘droog steken’ was in dit natte gebied niet meer mogelijk; de grondwaterspiegel was bereikt. De onder het water liggende turf was van goede kwaliteit, maar moest met een andere methode worden gewonnen. Vanaf 1530 ontwikkelde zich een nieuwe vorm van turfwinning: slagturven in het natte, eigenlijk baggeren. 

De vraag naar turf bleef groeien en voor de Schielandse plattelandsbevolking was slagturfwinning een belangrijke inkomstenbron. Door het diepe baggeren ging echter steeds meer land verloren. Hoewel de overheid het slagturven verbood omdat het landschap werd aangetast en het slecht voor de gezondheid van de turfstekers was, ging het slagturven gewoon door. Een groot gedeelte van het grondgebied van het ambacht van Hillegersberg stond onder water. Aan weerszijden van de Bergh Weg en ten noorden van de dorpskern waren grote veenplassen ontstaan.

De droogmaking van uitgeveende plassen bleek uiteindelijk lucratiever te zijn dan slagturfwinning, vooral toen de broodgraanprijzen stegen. In 1772 werd een begin gemaakt met het droogmaken en bedijken van uitgeveend land en water. Tegelijk met de Schiebroekse Polder werd in de polder Berg en Broek een kleinere polder drooggelegd. Het water werd afgevoerd via de Molensloten naar de Rotte. Deze kleine polder was in 1780 drooggemalen en kreeg de naam Polder 110 Morgen.

Er bestonden geen plannen om de Bergse Plassen droog te maken wegens gebrek aan capaciteit van de bestaande machinerie. De Voorplas stond door middel van twee sluizen in verbinding met de Rotte. Een ervan was het Boterdorps Verlaat (1740), gelegen bij de uitmonding van de Strekkade en de Rotte. Rondom deze schutsluis ontstond aan weerszijden van het water een gehucht met onder meer enkele woonhuisjes, een boerderij, een herberg en scheepswerfjes. 

Het oude raadhuis staat vlakbij de donk, dateert uit 1752 en heeft classicistische elementen zoals een symmetrische en drieledige opbouw met een plint, een gepleisterde gevel met schijnvoegen om natuursteen te imiteren en een kroonlijst.

Hillegersberg bestond uit een dorpskern en was overigens een agrarische gemeenschap: landbouw en vooral veeteelt. Zo rond 1800 was de Strekvaart een druk bevaren water, waar scheepjes vanaf de Grindweg naar het Boterdorpse Verlaat voeren. Aan de Grindweg lagen veel boerenbedrijven die zorgden voor de vracht: boter, kaas en melk. Bij het Verlaat werd de vracht overgeladen in grotere schepen die vervolgens naar de Botersloot in Rotterdam voeren. Daar werden de waren verhandeld.

De zeventiende- en achttiende-eeuwse buitenplaatsen combineerde de functies wonen en werken. De buitenplaatsen bestonden uit een woonhuis en bijgebouwen met een bedrijfsfunctie zoals touwslagerijen of scheepsmakerijen. De buitenplaatsen droegen namen als Lommerrijk (1665), Bergzicht (1726), Visvreugd (1745), Lamsrust (1745), Bijdorp (1800), Zeevreugd (1802) en Haagwijk (1804). Op de achterterreinen stonden molens (korenmolens, snuifmolens, pelmolens). De industriële functie werd uitgebreid langs de Strekkade waar twee papiermolens en arbeiderswoningen stonden.

In 1817 werd Hillegersberg een zelfstandige gemeente.

1269: Floris V geeft de Burcht van Hillegersberg in leen aan Vranke Stoop

Hillegersberg is mogelijk vernoemd naar Hildegard van Vlaanderen, echtgenote van graaf Dirk II van Holland en West-Friesland (Dirk II, of Diederik II, ca. 932 – Egmond, 6 mei 988). Deze graaf was in de tiende eeuw eigenaar van Bergan, dat in Oudhollands versterkte plaats of gehucht betekent. In 1028 bevestigde keizer Konraad in een oorkonde de gift door de bisschoppen Ansfridus en Adelbold (van de Amersfoortse abdij van Hohorst) van het dorp Bergan aan de abdij van St. Paulus te Utrecht. Dit is de oudste, erkende, schriftelijke vermelding van Hillegersberg.

Kort na 1150 zijn waarschijnlijk zowel de kerk als de burcht herbouwd in een groot formaat stenen, de zogenaamde (klooster)moppen. Het kasteel bestond uit een woontoren van 10x10 meter, waar een 6 meter hoge motte van zand tegen is opgeworpen op het rivierduin. De muren zijn aangelegd op het natuurlijk maaiveld.De hierdoor ontstane kelderverdieping is vijf meter hoog en wordt overkluisd door een dubbel tongewelf. In de middeleeuwen ontstond een woongemeenschap rond het kasteel en de kerk op de heuvel. De heuvel bood bescherming tegen het op gezette tijden oprukkende water. De woongemeenschap bestond voor het merendeel uit houten huizen met rieten daken.Pas in de tweede helft van de 14e eeuw is de toren op de kerk gebouwd.

De eerste burchtheer die we kennen is Vranke Stoop, die het kasteel te Hillegersberg in leen had van Floris V. In een verklaring van 2 november 1269 van graaf Floris staat dat het kasteel aan Vranke Stoops dochter Aleida Stoop zou vervallen, indien de vader geen mannelijke erfgenaam achterliet bij zijn overlijden. Dit zou het geval blijken te zijn. 

Kerk en burcht verwoest (1426) en weer opgebouwd

De oudste bebouwing in Hillegersberg dateert uit de middeleeuwen en staat op de donk: de ruïne van de woontoren (ca. 1240) en de Hillegondakerk (tweede helft vijftiende eeuw). De restanten van de woontoren wekken de indruk dat het gaat om een kenmerkende, zij het vroeg voorbeeld van een solitaire woontoren met vierkant grondplan, twee bouwlagen en een kelder. De dikke muren wijzen erop dat het niet alleen als woning en statussymbool diende, maar ook een defensieve functie had. De Hillegondakerk is door de eeuwen heen gefaseerd vergroot, verbouwd en grondig gerestaureerd. Er is daarom niet echt sprake van een stijlvaste laatgotische kerk, maar wel van een kerk met veel laatgotische onderdelen.

Voor zover valt na te gaan, blijkt Hillegersberg van de tweede helft der 13e eeuw tot de eerste helft van de 15e eeuw in handen te zijn geweest van twee adellijke families, respectievelijk het geslacht Stoop en het geslacht Van den Berge. In 1575 verkreeg Rotterdam het baljuw- en dijkgraafschap van Schieland. Dit was een begeerd voorrecht omdat het de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg en Moordrecht impliceerde. Hierdoor werd de invloedsfeer van Rotterdam met een groot deel van Schieland uitgebreid.

In de Divisiekroniek van 1517 wordt vermeld dat het "Huis ten Berghe" in 1426 door de legers van Jacoba van Beieren werd verwoest in de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De Hoekse krijgsoverste van Jacoba van Beieren, Willem Nagel genaamd, baljuw van Kennemerland, verwoestte de kastelen Kralingen, Spangen, Starrenburg, Kapelle, Spieringshoek, Weena en Hillegersberg. De kerk viel aan brand ten offer, werd volledig verwoest, maar werd op vrijwel dezelfde plaats later herbouwd. De restanten van de donjon liggen naast de Hillegondakerk in een hoek van het kerkhof, die in zijn tegenwoordige vorm uit circa 1500 dateert.

De legende van de reuzin Hillegonda

Volgens de legende van Hillegersberg is de zandberg ontstaan doordat de reuzin Hillegonda zand uit haar schort zou hebben verloren. Dit is mooi beschreven in “Souvenir aan Hillegondsberg”. In verschillende legendes wordt ook verteld dat zij daarbij twee tranen liet: de huidige Bergse voor- en achterplas...



Een nieuwe visualisatie van de reuzin Hillegonda (© Jan J.P.Carlier 2015).

Op de zandheuvel bouwde zij haar huis en zo ontstond Hillegersberg, de berg van Hillegonda. De reuzin Hillegonda met gescheurd schort siert het Wapen van Hillegersberg. Deze legende is ook verwoord in het Hillegondalied, sinds ca 1900 het 'volkslied' van Hillegersberg. Het werd bijvoorbeeld gezongen bij de jaarlijkse aubade voor de (toenmalige) burgemeester op Koninginnedag. Alle schoolkinderen leerden het uit het hoofd.
Een door heel Europa bekende Hillegersbergenaar uit de Middeleeuwen was de dichter en voordrachtskunstenaar Willem van Hildegaersberch (1350-1408).