Hillegersberg van 1920 tot 1941

De Bergweg en de Plassen

Populaire uitspanningen en grote publiekstrekkers bleven Plaats Freericks aan de Bergse Voorplas, Plaats Lommerrijk en Plaswijck aan de Bergse Achterplas. In 1920 kreeg de Bergweg de naam Straatweg en werd verbreed door de sloten aan weerszijden te dempen. De functie van de straat verbeterde zeer, maar de straat verloor wel zijn oude allure. In het begin van de twintigste eeuw werden nieuwe panden soms per twee of drie gekoppeld en er werden zelfs panden met beneden- en bovenwoningen gebouwd. Ook kreeg de Bergweg zijstraten op de landtongen. De zijstraat Bergse Plaslaan is vanaf 1920-1921 complexmatig bebouwd, bedoeld voor forensen. De zijstraat Plasoord ontleent zijn naam aan de buitenplaats Plasoord. De eigenaar liet de buitenplaats in 1926 afbreken, zodat hij de grond aan de gemeente kon verkopen voor de bouw van een villapark. In 1932 werd de zijstraat Wilgenoord aangelegd en ook daar verrees een villapark.

In de jaren '30 verloor het Boterdorps Verlaat dat de Voorplas met de Rotte verbindt, zijn functie als schutsluis. Het is sindsdien alleen nog een verlaat om het waterpeil te regelen. Op de eilanden in de Bergse Achterplas bouwden Rotterdamse stadsbewoners vanaf de jaren twintig kleine zomerhuizen, de  ‘plashuisjes’. De gemeente Hillegersberg stond dit toe, maar stelde eisen aan het maximaal te bebouwen oppervlak en aan de bouwhoogte.

Groei van de gemeente

De gemeente Hillegersberg bereidde vanaf 1920 een uitbreidingsplan voor. De opdracht ging naar het architectenbureau Granpré Molière, Verhagen en Kok dat ook tuinstad Vreewijk had ontworpen. Als belangrijkste uitgangspunt gold het behoud van degrote wateroppervlakten met hun bestaande contouren. Plantsoenen, een open bebouwing en wandelwegen  ‘die tot een verblijf van korte en lange duur op of aan het water uitlokken’ werden toegevoegd.Ten noorden van de Bergse Achterplas, als uitbreiding van de oude dorpskern, was een ‘tuinstadswijk’ gedacht. Direct aan de Bergse Achterplas werd voortgebouwd op de ruime verkaveling met woningen voor de betere middenstand en met villa’s en landhuizen. Het uitzicht op het water mocht niet worden belemmerd. Voor zover niet bebouwd waren de oevers bestemd voor de aanleg van plantsoenen. Langs de westelijke en noordwestelijke rand van de tuistadswijk, waren arbeiderswoningen gepland.

In 1920 telde de gemeente 5.000 inwoners. Tussen 1920 en 1930 werd veel gebouwd: het Berglustkwartier en Kleiwegkwartier. Bekende Rotterdammers kwamen hier met hun gezinnen wonen zoals de kunstschilder Herman Bieling, de ontwerper Jaap Gidding en de architect J.J.P. Oud. Voor nieuwbouw in Hillegersberg was in de jaren '20  L.N. Krijgsman jr. een veelgevraagd architect. In 1931 had Hillegersberg 15.000 inwoners, in 1936 21.000 tot 26.000 in 1941.

Ook het 'bedrijfsleven' ontdekte Hillegersberg. Enkele voorbeelden:  In 1921 werd de Hillegerbergsche Houthandel opgericht. De HHH vestigde zich aan de Rechter Rottekade. In 1938 vestigde de Sunrise limonadefabriek zich aan de Adriaan van Matenesselaan.

De tol, die al in 1734 op de Bergweg was ingesteld, werd in 1929 opgeheven. Er kwamen nieuwe scholen en kerken. Eind 1930 werd de Christus Koningkerk op het Statenplein in gebruik genomen. In 1932 werd, vooral ten behoeve van de nieuwe inwoners, de eerste jaarlijkse gemeentegids uitgegeven. De Gids voor 1937 is digitaal door te bladeren.

Het Uitbreidingsplan uit 1933 voorzag ook de bebouwing van Polder 110 Morgen. Voor het zuidelijke gedeelte van de polder was een ontwerp gemaakt dat aansloot op de verkaveling van het Berglustkwartier. Het noordelijke gedeelte van de polder was bestemd voor de aanleg van een begraafplaats.

Als randgemeente van Rotterdam werd Hillegersberg vestigingsgebied van kleine en gewone middenstand. De tot eind jaren ‘30 gebouwde huizen hadden een te hoge huurprijs, dus was er een nijpend tekort ontstaan aan woningen voor de minder gesitueerden.Het uitbreidingsplan werd in 1933 en in 1939 dan ook herzien.

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het bombardement op Rotterdam had ook grote gevolgen voor Hillegersberg. Veel Rotterdammers trokken naar Hillegersberg en bleven daar wonen.

In 1941 werd de gemeente Hillgersberg opgeheven en bij Rotterdam gevoegd.

1922-1933 Bouw van het Berglustkwartier

 Gedurende de jaren '20 en '30 is het Berglustkwartier ontwikkeld en grotendeels bebouwd. In 1921 werd het weidegebied direct ten westen van de oude dorpskern - het gebied dat eerder als tuinstadswijk werd gedacht – als bouwgrond geveild. De Maatschappij tot Exploitatie van onroerend goed “Vooruitstrevend” van de bouwondernemer en zakenman Jan Hendriks Sr.  (1876-1953) werd eigenaar van de grond. "Vooruitstrevend" verwierf ook de gronden direct ten noorden van de Bergse Achterplas en maakte voor het gehele gebied een stratenplan. Vanaf de Straatweg bouwde hij vanaf 1922 langs de Berglustlaan en de Bergluststraat. Voor het ontwerp van de woningen zijn verschillende architecten gevraagd, onder anderen architecten M.C.A. Meischke en A. Krijgsman. Het resulteerde in een compacte woonbuurt met aantrekkelijke, ‘onder architectuur gebouwde’ woningen.

De gemeenteraad stelde in 1927 het stratenplan voor het Berglustkwartier vast. Geheel in lijn met de eerdere uitgangspunten van het uitbreidingsplan ging het oorspronkelijke stratenplan uit van open bebouwing in het zuidelijke gedeelte (nabij de Bergse Achterplas) en halfopen bebouwing in het noordelijke gedeelte. Het stratenplan volgt het patroon van de kavelsloten en de structuur van de middeleeuwse polder. Het stratenplan eindigt bij de abrupte overgang naar de achttiende-eeuwse polder die enkele meters dieper ligt. Enkele poldersloten bleven als waterloop behouden, zo werd de Molensloot ingericht als de Hoyledesingel. De overige sloten werden gedempt voor de aanleg van straten. 

Bouw van het Kleiwegkwartier

Het sterk groeiende inwonertal van de buurgemeente Rotterdam resulteerde in de bouw van veel goedkope woningen met weinig groen. Zo raakte ook in de loop van de jaren '20 het platteland ten noorden van de Ceintuurbaan bebouwd: de wijk Hillegersberg-Zuid of wel het 'Kleiwegkwartier'. De Kleiweg en de aanliggende straten hadden een stedelijk karakter met aan weerszijden van de weg woningen in twee, soms drie of zelfs vier bouwlagen. Er kwamen scholen, kerken, winkels en café's. Enkele kleine arbeidershuisjes uit de agrarische periode bleven gespaard. Aan de Kootsekade werd in 1923 een tramremise in gebruik genomen. 

Tramremise aan de Kootsekade

1929: Opheffing van de tol

Om de kosten van de aanleg van wegen die  steden en gebieden met elkaar verbonden enigszins terug te verdienen ging de rijksoverheid tol heffen. In Hillegersberg kwam in 1734 een tol op de kruising Straatweg-Kleiweg-Kootsekade. In 1749 werd het tolrecht overgedragen aan Hillegersberg. In 1920-1925 werd parallel aan de Kleiweg de Juliana van Stolberglaan aangelegd. Het werd daardoor mogelijk om gratis het Kleiwegkwartier in de komen en/of verder te reizen via de Straatweg. In 1925 werd daarom het tolhuisje verplaatst naar de hoek Straatweg- Juliana van Stolberglaan. 

De Tolgaarder deed dienst van ’s ochtends 4.00 uur tot ’s avonds 11.00 uur. Tolgaarders waren een vraagbaak voor vreemdelingen. De Tol was niet erg geliefd in het sterk uitgebreide en ‘moderne’ Hillegersberg en werd per 31 december 1929 opgeheven. De laatste tolgaarder was A.W. Cossee. Hij ging vervolgens aan het werk voor de gemeente en schreef o.a. de gemeentegidsen.

1940-1941: De eerste oorlogsjaren

Op 10 mei 1940 breekt de oorlog uit. Het gemeentebestuur blijft zijn werk doen, zo goed als dat kan. Na het bombardement van Rotterdam was lijn 10 op 28 mei 1940 de eerste tram die over op de Coolsingel reed, van Hillegersberg in de richting van de Westzeedijk naar Spangen, zij het overigens met gesloten deuren. 

Hillegersberg groeide verder door de grote stroom Rotterdammers die zich na het bombardement hier blijvend vestigden. Met de ruim 26.000 inwoners beschouwde Hillegersberg zich meer en meer als een stedelijke gemeente. Hillegersberg hoorde in 1941 in grootte tot de top-10 van de provincie Zuid-Holland. Toch ging de discussie over annexatie door Rotterdam door...

1941: Opheffing van de gemeente Hillegersberg

De gemeenteraad van Hillegersberg ziet in zijn vergadering van 14 mei 1941 een mogelijke annexatie als onvermijdelijk. Op zaterdag 17 mei 1941 is er in de achterzaal van het Plaswijckpaviljoen een mogelijkheid voor de bevolking om in discussie te gaan met de burgemeesters en wethouders van Hillegersberg, Schiebroek, Overschie en IJsselmonde over een aanstaande samenvoeging met Rotterdam. Het verandert niets aan de zaak. 

Het gemeentebestuur nam nog enkele 'historische' besluiten. Als een soort verzetsdaad werden nog voor de annexatie de Bergsingel en de Verlengde Bergsingel omgedoopt in de Burgemeester F.H. van Kempensingel (besluit van B&W van Hillegersberg van 15 mei 1941). Bij besluit van 23 juni 1941 kreeg Adrianus Johannes Breedveld (wethouder van 1919 - 1931) een singel naar zich genoemd.

Op 31 juli 1941 vindt de laatste gemeenteraadsvergadering van Hillegersberg plaats. Er wordt een afscheidsreceptie gegeven in het Plaswijckpaviljoen. Op 1 augustus1941 verloor Hillegersberg definitief zijn zelfstandigheid. Burgemeester Van Kempen, in 1924 benoemd in Hillegersberg, werd eervol uit zijn ambt ontslagen, evenals de wethouders.

Hillegersberg werd onderdeel van Rotterdam. Het kreeg een hulpsecretarie van Rotterdam onder leiding van oud-gemeentesecretaris van Hillegersberg Johannes van Ballegooij en oud-locosecretaris Roodvoets.